Examenpost (iv).
Vrijdagavond, café ‘Afrit 3’. Waar, dat weet ik niet meer, en eigenlijk doet het er niet toe. Ik zit met Lucas aan de toog, met iets om te drinken voor onze neus. Want, zo gaat dat nu eenmaal: ga je in een café aan de toog zitten, dan vraagt de waard vroeg of laat wat je gaat drinken. En als je zegt: ‘niets’, dan antwoorden ze steeds: ‘oei, niets, dat schenk ik hier niet, meneer.’
Enfin, terug naar de feiten. Lucas en ik zaten aan de toog, pratend over de dingen des leven. Over het weer, over Frank De Winne en over het weer daarboven bij Frank.
Ok, nee. We waren niet aan het praten. Een stuk in onze kraag aan het drinken, komt beter in de buurt. Drinken, om te vergeten. Zo doen echte mannen dat. Heb je een probleem? Drink! En het zal verdwijnen. Want problemen, die hadden we alletwee. Alleen als je flink in nesten zit, ga je naar café Afrit 3’.
Uiteindelijk zijn we toch beginnen praten, Lucas en ik. Over wie nu het diepst in de miserie zat. Ik had de dag erna een moeilijk examen, Lucas had een gat in zijn tuinslang. Ik zei: ‘Beter een gat in uw tuinslang, dan een tuinslang…’ Hij kon er niet om lachen. Hij vond een tuinslang geen voorwerp om mee te lachen. ‘En’, ging hij verder, ‘ik vind een tuinslang veel belangrijker dan een examen statistiek’. Ikzelf ben daar nog niet helemaal uit.
Wie de man was met het grootste probleem, daar zijn we nooit achter gekomen. We kunnen beide niet zo goed drinken, en nog voor er goed en wel een gesprek was, overheerste de zattemanspraat al.
Hoofdpijn was er. En alles in’t dubbel. Toch gingen we met een goed gevoel buiten. Onze problemen lagen een flinke roes verwijderd van ons, en dat volstond. Voor even.