Op vakantie.
Wie kan uitgaan, kan ook afzien, zeggen ze wel eens. Na een vrije interpretatie wordt dat: wie wil uitgaan, moet eerst wat afzien. En dat is een lichte overdrijving.
We schrijven een week voor het vaderland geruild wordt voor een vakantiebestemming. Alles verdwijnt stilaan in reiskoffers, er wordt naar de bibliotheek en de apotheek gegaan en er wordt geen eten meer gekocht, want alle restjes in de ijskast moeten op.
Als alles volgens schema verloopt, is er de dag voor het vertrek nauwelijks nog iets van eten of propere kleren te vinden in huis. Alsof we op voorhand al boete doen voor het aangename leven dat ons wacht in het verre vakantieland. Iedereen krijgt een laatste, nauwkeurig gewogen portie restjes en wisselt een laatste keer van t-shirt. Het is pas als de reis begint -twaalf uur in een kleine wagen- dat het feest begint, want in vergelijking met al het voorgaande is zelf een picknick op een parking langs de autosnelweg een feestmaal.
Eenmaal ter plaatse kan de pret helemaal niet meer op: het leven is op vakantie een lange aperitief, we slepen ons van maaltijd naar maaltijd en tussendoor rusten we uit. We leven als God in Frankrijk, want de weegschaal hebben we thuis gelaten. Die kon er écht niet meer bij in de volgestouwde wagen.
En zo besteden we onze tijd op vakantie: alles kan, niets moet. We vragen ons af hoe het met de katten gaat, of er al een regering is en stiekem kijken we ernaar uit om terug huiswaarts te keren.