Archive for the ‘Commentaar’ Category
Tram.
Op de tram zie je een afspiegeling van de buurt waar je door rijdt. Nu zie je mensen met een hoedje en vlechtjes, vijf haltes verder zijn dat allemaal mensen met een lang kleed. Alleen in de meer chique buurten gaat de stelling niet op. Chique mensen rijden met een tweede wagen, en niet met de tram. Het was zaterdag, halfnegen en ik reed door een buurt waar huidskleur een variabele is.
Vooraan zaten twee bijzonder blanke meisjes, kortgerokt en rondborstig, een mens kon er moeilijk naast kijken. Ze waren vrolijk aan het kwetteren over vanalles en nog wat –tenminste, dat denk je als je er geen jota van begrijpt. Ze gingen een stapje in de wereld zetten, zoveel was duidelijk.
De jongen met Aziatische roots, die tegenover de meisjes zat, wist geen blijf met z’n ogen. Hij concentreerde zich dan maar op de muziek die via witte oortjes zijn hoofd binnendrong. Iets te luid om gezond te zijn.
Twee mannen van Noord-Afrikaanse afkomst zaten achteraan. Ze spraken op een geagiteerde manier over hun werk. Hun Nederlands was onberispelijk, hun arsenaal aan krachtwoorden was bovengemiddeld omvangrijk.
Midden van hen zat een rasechte autochtoon. Hij las in Knack. Op het naïeve af geloofde hij gedurende die tramrit in de multiculturele samenleving, ondanks alle onheilspellende artikels waarmee het boekje in zijn handen de aandacht wilde trekken. Tijdens die twintig minuten op de tram was de integratie een succes en was er geen sprake van wij-zij.
Toen hij van de tram stapte, zag de Knack-lezer een groepje jongeren naderen. Allochtonen. Hij ging verder, de ene hand rond zijn gsm, de andere rond de portefeuille. Onbewust, maar toch. Om de hoek dacht hij aan Tom Naegels: “Waarom denken we automatisch het slechtste als we een groepje allochtonen op straat zien”. Een mentaliteitswijziging is één van de dingen die we nodig hebben. Evenzeer bij ‘wij’, als bij ‘zij’. We kunnen niet op de naïeve tram blijven zitten.
En de wereld draaide verder, zoals hij dat twintig minuten eerder ook deed.
Onlinemensen.
Wij zijn onlinemensen! Wij zijn altijd en overal online, en iedereen kan ons altijd en overal volgen. Op Facebook zetten we foto’s online, op Twitter laten we aan de wereld weten wat we aan het uitspoken zijn. We zijn sociaal, we staan permanent in verbinding met onze contacten. Contacten die we in het echte leven misschien niet kennen. Tik onze naam in Google in, en je komt iets te weten over ons. En we vinden dat niet eens erg. We zijn ijdeltuiten.
Misschien zijn we ook wat arrogant, nemen we teveel foto’s van anderen en zetten we ze ook online. Zonder toestemming. Misschien Twitteren we wel eens over iemand, zonder dat hij/zij het weet. Misschien denken we soms te weinig na voor we verbinding maken met het internet. Het is een mentaliteitsverschil, maar iedereen heeft het recht om zelf te bepalen hoe aanwezig dan wel afwezig hij/zij op het internet is.
Voor ons, onlinemensen, is het niet evident om constant te moeten nadenken over hetgeen we online willen zetten. We hebben het gevoel dat we rijden met een handrem op. We begrijpen niet waarom dit of dat niet online mag staan. En de offlinemensen begrijpen niet waarom het wél online moet staan.
Het is zoeken naar een evenwicht tussen de grote massa, die liever grotendeels anoniem op het internet vertoeft, en een kleine schare mensen die vaak online zijn, en die heel gemakkelijk een krachtig medium hanteren. Begrip van beide kanten, daar komt het (ook hier) op aan.
(Ik weet het, ik schreef net een blogpost zonder pointe. Het zijn een aantal bedenkingen die ik maakte. Zijn wij te arrogant in ons online gedrag? Of zijn het ‘de anderen’ die maar sneller moeten evolueren, die zich moeten schikken naar de nieuwe mogelijkheden van de moderne technologie?)
Digitale krant.
Voor de komst van Apples iPod was een mp3-speler niet veel meer dan een usb-stick met ‘oortjes’ eraan. Voor de komst van de iPhone had iedereen een gsm. Sinds de iPhone heeft iedereen een smartphone die ook kan surfen en mailen en … . Apple slaagt er telkens opnieuw in om een markt de creëren voor de producten die het ontwikkelt. Daarom bestaat het vermoeden dat de komst van de iPad, de eerste tablet-pc van het bedrijf, opnieuw een evolutie zal starten.

Steve Jobs presenteert de iPad
De iPad werd door Apple-topman Steve Jobs ook aangekondigd als een uitstekend eBook-reader. Elektronische boeken zijn niet nieuw, maar zouden dankzij de iPad een hoge vlucht kunnen nemen. Ook digitale kranten behoren tot de mogelijkheden, en vooral dat interesseert mij. Maar is de iPad het meest aangewezen toestel om kranten digitaal te gaan lezen?
Een andere bekende eReader is de Kindle van Amazon. De Kindle en de iPad zijn nauwelijks te vergelijken –de iPad is een tablet-pc met eReader-functionaliteit, de Kindle een echte eReader-, toch kunnen ze beide gebruikt worden als digitale drager voor een krant.
Het grootste zichtbare verschil tussen de toestellen is het scherm. De iPad maakt gebruik van een lcd-scherm, de Kindle toont beeld en tekst op elektronisch papier. Wikipedia legt het als volgt uit:
Unlike a conventional flat panel display, which uses a backlight to illuminate its pixels, electronic paper reflects light like ordinary paper and is capable of holding text and images indefinitely without drawing electricity, while allowing the image to be changed later.

Kindle DX van Amazon
De leeservaring bij de Kindle sluit dus veel dichter aan bij een gedrukte krant. Bij de iPad heb je vermoedelijk het gevoel dat je naar een uitgebreide versie van een website aan het kijken bent.
De iPad heeft als voordeel dat hij foto’s in kleur kan tonen (wat de gedrukte kranten ook doen), dat er in de plaats van foto’s ook bewegende beelden kunnen geïntegreerd worden en dat de lezer onmiddellijk kan deelnemen aan de discussies. De Kindle houdt het op stilstaand eenrichtingsverkeer in zwart-wit.
Toch blijf ik ervan overtuigd dan lang lezen op een lcd-scherm niet zo comfortabel is als lezen op papier. De verlichte pixels zorgen voor een zeker onrust en vluchtigheid. Vandaar dat ik mijn gedrukte krant op dit ogenblik niet zou willen ruilen voor een iPad. De dag dat de Kindles van deze wereld erin slagen om ook kleuren weer te geven op elektronisch papier, dan stap ik over. Want dan krijg je een krant die steeds actueel is (dankzij mobiel internet) én die comfortabel leest.
Voorlopig nog toekomstmuziek, maar écht lang gaat het allemaal niet meer duren. Denk ik.
Hoofdtelefoon.
Sinds enkele dagen ben ik de trotse en zeer tevreden bezitter van een Sennheiser HD250 Linear II hoofdtelefoon. Een knoert van een ding, dat zeker, en hij ziet er nogal jaren 1980 uit. Maar hey, wat doet het uiterlijk er bij een hoofdtelefoon eigenlijk toe?
De Sennheiser HD250 is ondertussen een erg gekend type hoofdtelefoon in audiostudio’s allerhande. En ik kan me wel voorstellen waarom. De geluidsweergave van deze ‘oorwarmers’ is werkelijk fantastisch. Een perfect evenwichtige en accurate balans, heel heldere klanken en een mooie, volle bas. Daarmee gaat de hoofdtelefoon resoluut voor een natuurgetrouwe weergave van de muziek (en andere opnames) en volgt hij de trend van de extreme bassen niet.
De hoofdtelefoon is ideaal om lang te dragen. Hij weegt ongeveer 250 gram en sluit de oren volledig in. Daardoor zit hij stevig op het hoofd en kan je hem lang ophouden. Doordat de oren volledig omsloten worden, hoor je geen achtergrondlawaai meer. Niet aan te raden in het verkeer, maar ergens anders is het een ware verademing.
U hoort het, ik ben een gelukkige muziekliefhebber. De komende dagen ga ik mij bezig houden met het opnieuw importeren van verschillende cd’s in iTunes. Sommige van de cd’s zijn geïmporteerd aan 128 kbps, en dat compressieniveau doet de hoofdtelefoon wat oneer aan. 192 kbps klinkt al heel wat beter. Alles lossless importeren zou me nogal wat extra harde schijven opleveren, dus daar begin ik niet aan.
1212.
“Vijf jaar na de tsunami bundelen media opnieuw hun krachten om, samen met niet-gouvernementele organisaties, bekende Vlamingen en allerhande lokale initiatieven zoveel mogelijk geld te verzamelen voor de reddingsacties en de wederopbouw. Opnieuw een steekvlam, zou je met enig cynisme kunnen opmerken. Maar wie heeft er iets aan cynisme?”
[…]
“De klassieke dooddoeners lagen nog sneller klaar dan anders: ‘veel geld gaat verloren in inefficiëntie en bureaucratie’, ‘schenken aan een land zonder leiding is een druppel op een hete plaat’ en ‘hoe weten we waar onze centen terechtkomen’. Voor al die bedenkingen valt wat te zeggen, maar daar kopen de berooide, gewonde, buitenslapende, bij gebrek aan adequate hulp stervende Haïtianen niets voor.”
[…]
“Het heeft dus zin deel te nemen aan de solidariteit.”
Uit het opiniestuk van De Standaard van 21 januari 2010, geschreven door Bart Sturtewagen. Vandaar; luister vandaag naar Radio1212, klik op de banner rechts in de sidebar en overweeg een schenking. In de veronderstelling dat het geld goed gebruikt zal worden.
Minister 2.0.
Toen Barack Obama in de running was om president van de Verenigde Staten te worden, gebruikte hij als eerste het internet als massacommunicatiemiddel tijdens een verkiezingscampagne. Blogs, Facebook en Twitter werden ingezet om zoveel mogelijk mensen te bereiken. Met succes, zo bleek achteraf.
In de aanloop naar de regionale verkiezingen van juni 2009 probeerden heel wat politici ook de stap naar verkiezingen 2.0 te zetten, zeker nadat De Standaard de zogenaamde Obarometer lanceerde. Dat is een website waar alle online activiteit van politici verzameld werd. Blogger BVLG verzamelde destijds een hele hoop cijfers en grafieken. Op dezelfde blog werd ook aangetoond dat veel politici na de verkiezingsperiode de Twitter-toestanden lieten voor wat ze waren.
Een uitzondering op die conclusie is Vincent Van Quickenborne. Het gebruiken van digitale media en communicatie sluit ongetwijfeld aan bij de man zijn persoonlijke interesses. Op zijn blog schrijft de minister van Economie regelmatig berichten die over zijn vakgebied gaan. Ook Twitter gebruikt hij; er is @quickonomie, het account van de gelijknamige website, en een persoonlijke account: @vincentvq.
Tot zover nog steeds geen bijzonder nieuws.
Onlangs werd beslist om de Auvibel-heffing uit te breiden. Er moet nu ook een extra bijdrage betaald worden op de aankoop van digitale opslagmedia, bijvoorbeeld geheugenkaartjes en externe harde schijven. Heel wat bloggers en andere mensen die vaak online te vinden zijn, protesteerden luidkeels tegen de maatregel. Vooral professionele mensen zouden hierdoor meer moeten betalen, terwijl de heffing dient om auteurs te vergoeden voor illegale kopieën, gemaakt door de ‘gewone’ consument.
De zaak werd onder anderen door Luc Van Braekel en Pietel uitvoerig besproken. Vincent Van Quickenborne nam de opmerkingen van de blogosfeer ter harte en formuleerde (naar eigen zeggen eigenhandig) een antwoord op de opmerkingen en kritiek. Eerst verscheen het artikel “Auteurs zijn ondernemers”, later schreef hij een blogbericht dat rechtstreeks aan de bezoekers van zijn blog en Twitter-pagina gericht was: “Antwoord op jullie comments”. Pieter Baert, Luc Van Braekel en de zes andere ondernemers die mee schreven aan een opiniestuk in De Tijd (zie onderaan dit artikel) kregen zelfs een uitnodiging om “eens samen te zitten”.
Vincent Van Quickenborne communiceert zeer open met iedereen die moeite doet om hem (digitaal) te bereiken. Dat hij z’n blog en Twitter niet alleen gebruikt om ten tijde van verkiezingen kiezers te lokken, siert hem. Nog nooit was het mogelijk om zo rechtstreeks met een minister te communiceren, als nu met Van Quickenborne. Het feit dat zowel de vermelde bloggers als de minister zeer bekwame en professionele mensen zijn, kan in de toekomst alleen maar tot interessante debatten leiden. De blogosfeer zal nooit invloed hebben op de rechtstreekse besluitvoering. Maar het kan een positieve evolutie zijn dat vakmensen vanuit de praktijk van gedachten kunnen wisselen met de overheid. Een pluim op de hoed van minister Q!
Zeurpiet.
Zegt Michiel in de commentaren:
“Nu wat mij de laatste tijd opvalt met uw blogs is dat het enorm kritisch is. Nu een vergelijking maken met een bekende schrijver kan ik niet omdat mijn literaire kennis daar niet uitgebreid voor is. Maar schuilt er misschien een kleine Herman Brusselmans in u zonder vaginalisering en gefak (sic) weliswaar. Of zit ik daar dan ook weeral compleet naast?”
Ik schreef de opgelopen tijd (weken, maanden?) inderdaad een aantal kritische blogs. Onbewust, tot die ene commentaar. De reden is niet dat ik Herman Brusselmans van zijn vulgaire troon wil stoten, noch dat ik met een scherpe pen alles en iedereen in de vernieling wil schrijven. Er is geen missie, geen geheime agenda.
Neen, de reden is heel eenvoudig. De laatste tijd (weken, maanden?) is het erg druk geweest voor mij –net zoals voor iedereen, waarschijnlijk. Schoolwerk, Kinepolis, die twee vooral, en daarnaast nog een aantal nevenprojectjes. Aan enkele andere zaken ben ik nauwelijks toegekomen. Sportief wezen doen is daar één van, bloggen ook.
Kritiek schrijven is van het gemakkelijkste om te doen. Er dient zich een bepaald iets aan, waar jij je om die en die en die reden niet in kan vinden. Hopla, een artikel is bedacht, nu nog uitschrijven. Toffe, positieve verhaaltjes schrijven is veel moeilijker. Daar moet aan gewerkt worden. Het moet veel meer ‘rijpen’ en het is moeilijker om daar even snel een vlotte structuur in te krijgen.
Dus neen, ik ben geen pessimistische of sceptische zeurpiet geworden. Het is –tijdelijk- een gemakkelijkheidsoplossing. Tot na de examens. En, wie weet, blijft er in het tweede semester wél meer tijd over om te bloggen. Ik hoop het met u.
Mia.
Zo goed de Vlaamse muziek tegenwoordig is, zo slecht was de uitreikingsshow van de Music Industry Awards (MIA’s) vrijdag. Een show zonder inhoud en zonder richting. Twee uur gepalaver en muziek die we allemaal beu gehoord zijn. Toch?

Marcel Vanthilt
Om te beginnen: Marcel Vanthilt krijgt voor zijn presentatie een MIA voor de meest ergerlijke gastheer van het nog prille jaar. Geen idee waarom hij zo nodig grappig wilde zijn. De slotshow van Music for Life presenteerde hij sober, en die was voortreffelijk. Tijdens de MIA’s probeerde hij de vlotte jongen uit te hangen, maar het lukte absoluut niet. We hadden haast heimwee naar Peter Van de Veire, die de vorige editie mocht presenteren.
Tijdens de live-uitzendingen werden tal van awards uitgereikt. Door de strot geramd, is misschien een betere uitdrukking. Binnen elke categorie werden vier genomineerden voorgesteld, en onmiddellijk daarna werd de winnaar bekend gemaakt. Waarom groep A of zanger B gewonnen heeft, dat kregen we niet te horen. Van enige achtergrond was er in het hele concept geen sprake. Van transparantie ook niet.
Eerlijk? De show deed aan als een bv-feestje, waar de kijker even mocht binnen gluren om te zien hoe goed de Vlaamse zangers, zangeressen en bands wel zijn.
Goed in hun vak: muziek maken. Maar iets zinnigs zeggen nadat ze een MIA in ontvangst mochten nemen, dat zat er nauwelijks in. “Vive le roi” en “Bedankt Lernout & Hauspie”, zeiden die van Absynthe Minded. Lady Linn kwam niet verder dan grijnzen en wat bedankjes en Daan leek, zelfs na de vierde keer, nauwelijks in staat om een zin te zeggen met daarin een onderwerp, wat werkwoorden en dergelijke meer.
Je zou bijna van een verademing kunnen spreken om Jasper Erkens op het podium te zien. Die kwam bij de kijkers niet over als een parkiet op speed, én hij speelde een muzikaal rijke versie van ‘Waiting Like a Dog’. Met dank aan alle muzikanten van het jaar. Oh, en Bart Peeters niet vergeten. De enige man, presentator inbegrepen, die met de nodige rust een aantal dingen zei die betekenis hadden.
Geef Vlaanderen alsjeblieft muziekprijzen met meer inhoud en achtergrond. En laat de show op één draaien rond die achtergrond. Al die categorieën zijn op de duur storend, het zijn toch altijd dezelfde mensen die genomineerd waren. En geef de muzikanten niet zomaar een vrijgeleide om vanalles te leuteren op nationale televisie. Die mensen hebben iets te vertellen, maar laat het aan professionele tv-mensen over om naar die boodschap te ‘vissen’.
De hype die er geen mocht zijn.
Opvallend hoe een spelletje op een relatief oud medium, televisie, enkele nieuwe media zo hard kan domineren. Linda De Win, de presentatrice van Villa Politica, nam de afgelopen weken deel aan De Slimste Mens ter Wereld en kwam daar naar verluidt niet sympathiek over.
Het was voor mij even opkijken toen er op Facebook groepen de revue passeerden met klinkende titels als: “Linda De Win, ‘k ga op uw muil slaan” en “Linda De Win moet dood”. Wist ik veel wat er aan de hand was; ik kijk niet naar De Slimste Mens, om de eenvoudige reden dat ik hier op kot geen televisie heb.
In geen tijd werd Linda De Win de eerste hype van 2010. Psychologen mochten op de radio komen vertellen over de stand van haar mondhoeken, talrijke krantenpagina’s werden volgeschreven over competitieve vrouwen en De Win mocht zelfs aan tafel schuiven in Phara.
En dat allemaal omdat twintigduizend Facebookgebruikers op één knopje geklikt hebben. Twintigduizend, dat is gezien de context belachelijk weinig. Elke dag kijken anderhalf miljoen mensen naar de quiz. Om over het aantal Facebookgebruikers nog te zwijgen.
Die Facebookgroepen én het aantal leden in die groepen is totaal nietszeggend. Ik heb vrienden die lid worden van groepen als “Buiten rondwandelen en plots een frigo op je hoofd krijgen”, of nog: “Ik ga met de ambulance naar huis als ik retescheef ben!”. Iedereen wordt lid van alles, het is te gemakkelijk en daarom onbeduidend. Tijdens Music for Life had Siska Schoeters beloofd om haar borsten te tonen als er 10 miljoen euro ineens werd gestort. De Facebookgroep die het bedrag bijeen wilde krijgen, telde meer dan 25 000 leden, waarvan er 103 betaalden.
En dan is tien euro betalen voor de borsten van Siska Schoeters nog aantrekkelijker én gemakkelijker dan Linda De Win een mep verkopen.
Conclusie: ‘haatcampagnes’ op Facebookgroepen zijn te gemakkelijk, te gratuit, om ze au sérieux te nemen. Leden werven gaat te gemakkelijk op Facebook, leden écht mobiliseren lukt dan weer niet. Dat is de reden waarom Kinepolis nauwelijks last heeft gehad van de groepen. Dat is de reden waarom Linda De Win de hele heisa mag vergeten. Dat is de reden waarom de borsten van Siska Schoeters nog niet voor binnenkort zijn.
Waar praten we eigenlijk nog over?
Staking.
Moeten we nu kwaad zijn op de werknemers van den ijzeren weg? Kwaad, omdat ze weer eens het rollend materieel voor een dag op stal laten staan? Kwaad, omdat eens te meer de reizigers niet verder geraken dan het perron? Kwaad, omdat er weer eens Nationale Miserie bij de Belgische Spoorwegen is?
Ik, als grote fan, verdediger en promotor van het openbaar vervoer, ben niet kwaad. Mensen die oog in oog staan met werkloosheid, verliezen altijd een beetje ratio en gaan over tot actie. Streven naar werkzekerheid is de op een na belangrijkste doelstelling in ons leven. Streven naar gezondheid staat op één –zo zou het toch moeten.
Ontgoocheld ben ik wel, omdat er geen meer creatieve manier van actievoeren gevonden werd. Waarom besliste men onmiddellijk om een etmaal te staken? Wat is er mis met stiptheidsacties? Of, nog beter, met een betaalstaking? Dat iedereen twee of drie dagen gratis met de trein mag reizen, iets in die zin.
Kortom, waarom worden er geen acties bedacht waarbij de reizigers niet als hefboom worden gebruikt om de eisen kracht bij te zetten?
Staken is een voorrecht. Het al te vaak misbruiken kan op termijn verkeerd uitdraaien. Met de verplichting om een minimale dienstverlening te voorzien, zou het stakingsrecht al een heel wat minder krachtig middel zijn. En wat als men zou beslissen om vakbonden rechtspersoonlijkheid te geven? Hoeveel zou er dan nog gestaakt worden?
U ziet het: er staan bijzonder veel vraagtekens in deze tekst. Vraagtekens bij de redenen om te staken. Vraagtekens bij de gevolgen. Hopelijk stellen de vakbonden zich deze vragen ook. Hopelijk komen er antwoorden. Aanvaardbare antwoorden.


